Albert van Leijen onderging een dubbele longtransplantatie
Juli 2007
Nog niet zolang geleden, op vijftigjarige leeftijd, ontdekte Albert van Leijen vol verwondering hoe de meeste mensen zich voelen na een lichte inspanning. ‘Ze voelen helemaal niets! Toen ik na een fietstocht van een halve kilometer bij de bakker afstapte, merkte ik dat ik niet buiten adem was.’
In zijn tussenwoning in Veenendaal vertelt Albert van Leijen samen met zijn vrouw Gerda over de dubbele longtransplantatie die hij twee jaar geleden onderging en over zijn leven vóór de transplantatie. Hoe hij vanaf zijn geboorte leed aan een erfelijke vorm van longemfyseem en hoe hij als tiener al merkte dat hij zijn vrienden op sportief gebied niet kon bijbenen. Dat zijn aandoening grote invloed op zijn gezinsleven had: vrouw en kinderen moesten er altijd rekening mee houden – in het dagelijkse leven en in vakanties: vader kon weinig. Werken, dat kon hij wel. Maar naast zijn fulltimebaan als controleur bij het ministerie van Landbouw lukte hem niets meer. Dan was hij volkomen uitgeput.
Door de jaren heen nam zijn longcapaciteit steeds verder af. Meerdere keren belandde hij voor langere of kortere tijd in het ziekenhuis. In 1995 kwam hij bij een longarts voor een second opinion in het UMC Utrecht. Deze verwees hem naar het UMC in Groningen om te onderzoeken of hij in aanmerking kwam voor een longtransplantatie (in die tijd werd deze operatie nog niet in het UMC Utrecht gedaan). Daar vonden ze hem nog te goed voor. De Utrechtse longarts adviseerde een longrevalidatie (waar hij leerde de weinige zuurstof zo efficiënt mogelijk te gebruiken) en deelde passant mee dat hij hooguit nog tien jaar had. ‘Over die mededeling maakte ik me toen enorm boos’, vertelt Gerda van Leijen. ‘Achteraf gezien heeft deze arts precies gelijk gekregen.’
Overleven
In 2005 dreigde het echt fout te gaan. Van Leijen zat inmiddels in een rolstoel, had altijd extra zuurstof bij de hand en werkte al enkele jaren niet meer. Op tweede paasdag ging het niet meer en is hij opgenomen op de intensive care van het Edese ziekenhuis. Gerda van Leijen: ’Hij was zo zwak. Eten was al te zwaar. Via een “pegsonde” kreeg hij voedsel direct in zijn maag. Ik had een bed op zijn kamer, zodat ik constant bij hem kon zijn. We hebben meerdere keren de familie opgetrommeld omdat het ernaar uitzag dat het echt afgelopen was.’ Van Leijen zelf herinnert zich niets meer van die periode: ’Ik was alleen aan het overleven.’
Zodra hij voldoende was aangesterkt, is van Leijen naar het UMC Utrecht overgeplaatst. De artsen vonden hem eigenlijk te zwak voor een longtransplantatie. Op een vrijdag in april overwogen ze nog om hem van de wachtlijst af te halen. Dat deden ze niet, ze maakten hem urgent waardoor hij steeg op de wachtlijst. Twee dagen later waren er twee goede longen van zijn relatief zeldzame bloedgroep (B+) beschikbaar en vond de transplantatie plaats.
Ommezwaai
Nu is het nauwelijks voor te stellen dat deze man nog niet zo lang geleden zó weinig kon. Kwiek door de kamer lopend, vertelt hij honderduit. ‘Op het laatst kon ik niet eens meer praten, dat kostte me te veel energie. Ik kon mijn vrouw niet meer omhelzen, ik kon niks.’ Van Leijen heeft zijn oude baan weer opgepakt, voor twintig uur in de week. Hij beoefent verschillende sporten en is ook thuis actief. ‘Een hele ommezwaai, voor ons allemaal’, bevestigt zijn vrouw.
En de toekomst? Een patiënt die een longtransplantatie heeft ondergaan, leeft gemiddeld zeven jaar. Van Leijen reageert optimistisch: ‘Ik geniet van iedere dag, ik ben blij met alles wat ik zie. En die zeven jaar? Dat is een gemiddelde. Er is een patiënt die al zestien jaar leeft met zijn nieuwe longen; dat ga ik overtreffen.’
Bron: Tijdschrift Uniek, UMC Utrecht juli 2007, nr. 1
Voor vragen en/of opmerkingen kunt u contact opnemen met albert.leijen@tiscali.nl


