Leven met een nieuw HART (7 december 2004)
Apeldoorn - Hij kan er nu om lachen. ‘Ze zeiden dat ik doodging, dat wil je toch niet....’ Jaap Huizinga (47) leeft met een nieuw hart. Bruist van energie, geniet van het geschonken leven. ‘Ik voel me als herboren. Fiets minimaal elke dag tien tot vijftien kilometer.’ Z’n overlevingsdrang wordt gevoed door humor en een onbegrensd optimisme. ‘In deze jongen tikt een sporthart. Fietsen? Ik heb 23 jaar niet naar dat karretje omgekeken. Ik meen het: Jaap probeert over twee jaar de Europese Spelen voor getransplanteerden in Napels te halen.’
April 2002. Twee zware hartinfarcten zetten het leven van Apeldoorner Jaap Huizinga op z’n kop. Pijn in de schouderbladen, pijn op de borst, kortademig, emmers zweet. De huisartsenpost hoort ‘het gezeur’ aan. Advies: ‘Zoek morgen uw huisarts op’. Huizinga geeft niet op. ‘Bij Gods gratie’ is hij ’s avonds welkom. Hij wordt niet onderzocht......... Het snelle recept: zetpillen! Herhaald advies: ‘Zoek uw huisarts op!’
De plaatsvervanger van zijn arts ontdekt een vulkanisch hoge bloeddruk en slaat geschrokken alarm. Huizinga wordt met een noodvaart en een loeiende sirene naar het ziekenhuis vervoerd. ‘Het is druk, we zetten even de sirene aan, zeiden die broeders. Ik maar denken: ?Wat een idioten.“’ Diagnose: twee zware hartinfarcten. ‘Opbeurende’ woorden van de cardioloog: ‘Ik denk dat u het weekend niet haalt....’
De inkzwarte mededeling dringt niet tot Huizinga door. In een racende ambulance onder politiebegeleding op weg naar het UMC/Academisch Ziekenhuis in Utrecht (‘Ik lag prinsheerlijk naar buiten te kijken’) wordt luchthartig de draak gestoken met de begeleidende broeder: ‘Bof jij even. Je hoeft niet te werken’.
Vocht
Jaap gaat niet dood, maar de doodzieke patiënt, echtgenote Hilda en zijn zonen Jeroen en Bert-Jan beginnen aan een lange weg van martelende onzekerheid. Blijft manlief en vader in leven, komt er op tijd een nieuw hart. Jaap wordt kind-aan-huis in het UMC in Utrecht. Het vocht pompt z’n lichaam letterlijk op. ‘Olifantenpoten en een buik als een Biafra-kindje.’
Zijn lichaam houdt door zijn doodzieke hart het vocht vast. Het strenge rantsoen maakt hem bijkans gek. Hij doet een moord voor ijsklontjes. ‘Als je op een dagelijkse vochtrantsoen van anderhalve liter wordt gezet, lijkt dat veel, maar het is niks. In een appel zit al 100 milliliter, een schaaltje yoghurt 150.’
Creatief
Huizinga snakt naar water, glazen vol, maar krijgt slechts ijsklontjes. Goed voor 15 milliliter. Hij rekent creatief. De smeltende klontjes verliezen tussen vriezer en ziekenhuisbed een ietsepietsie aan gewicht. ‘Schreef ik 10 millimeter op, anders liep ik er een paar mis.’
Een dagelijkse portie van vijftienhonderd milliliter aan plasmiddelen (‘Genoeg om een olifant aan het plassen te krijgen’) bieden weinig soelaas. ‘Ik zag mijn lichaam zo weer vollopen.’
Z’n rikketik met een armzalige pompfunctie van elf procent houdt het, met hulp van een geïmplanteerde pacemaker en defibrillator, nog bijna twee jaar uit. Hij ziet de dood in de ogen. Overleeft een ingreep waarbij gedacht werd aan leverkanker. ‘Eindelijk zat het een keer mee.’ Geen kanker, wel voorrang op de lijst voor een ruilhart. De humor en zijn ongebroken wil om te overleven houden hem op aarde. ‘Ik ben toch veel te jong om nu al te verhuizen.’ ‘Dat is z’n redding geweest’, weet Hilda zeker.
Vlak voor de bevrijdende transplantatie viert Jaap met z’n naasten en vrienden en een uitslaande koorts van 39.8 graden 25 jaar echtelijke trouw. In het Academisch Ziekenhuis. Met taarten, bier en leverworst. Feest aan een versierd ziekbed en een bruidegom aan de slangen.
De bevrijdende hartruil slaagt. Een cynisch gesteld kleinigheidje daargelaten. De ontlasting komt hem anderhalve week na de urenlange transplantatie de neus uit. De nood is letterlijk hoog. Gevolg van een extreem hoog ammoniakgehalte. Weer intensive care in Utrecht. Hoort een prof verbaasd zeggen: ‘Die man had al hartstikke dood moeten zijn’. ‘Ja, maar hij is een apart geval’, counteren z’n behandelende geneesheren.
Gehuild
Je kunt het leven nog zo liefhebben, het verdriet overmande Huizinga na de transplantatie meer dan hem lief was. ‘Ik kon niets. Werd op een stoel gezet. Kon niet overeind komen. Werd zo kwaad op mezelf. Verschrikkelijk. Ik heb veel gehuild.’
Hij kijkt na de geslaagde hartruil anders tegen het leven ‘in blessuretijd’ aan. Strelende aandacht voor zijn beagle Mo (‘Ik had vroeger goudvissen, mooi zat’), tijd voor zijn jongens, schoondochter en zijn Hilda. Cardio-fitness, gezond karren en recent na een noodgedwongen absentie van enkele jaren weer commerciële man bij de berooide amateurs van AGOVV.
‘Stil zitten kan ik niet. Ik heb alweer sponsormodellen ontwikkeld, het gaat met mijn club goed komen. Volgend jaar moet er weer vriendschappelijk worden gespeeld tegen Feyenoord. Voor een vol stadion, daar ga ik alles aan doen.’
Aan lange, werkzame dagen van de voormalige kantoormanager bij de SNS-bank en gedroomd eigenaar van een beveiligingsbedrijf kwam met een grote klap op een zwarte maandag in 2002 een abrupt einde.
Zijn grote wens van een eigen bedrijf spatte wreed uiteen. ‘Op mijn 55ste wilde ik stoppen, de zaken voor elkaar hebben.’ Dat liep even anders. Maar hij leeft nog. Vol levenslust en ‘een chemische fabriek’ in zijn lichaam. Een batterij pillen moeten afstoting voorkomen. De bijwerkingen zijn legio, de gevaren groot. Zijn gezichtsvermogen is al aangetast. ‘Mijn nieren kunnen kapot gaan en mijn lever aantasten. Ik loop een grote kans op huidkanker en botontkalking. Ik kan zo maar in een rolstoel terechtgekomen.’ Hij zegt er niet aan te denken. ‘Ik wil vooral leven. Voor mezelf en voor Hilda en de jongens. Daar hebben ze recht op. We hebben samen gevochten en zijn altijd optimistisch gebleven.’
Jong
Nog geen jaar na de transplantatie heeft Huizinga zijn vizier gericht op de Europese Spelen voor getransplanteerden. ‘Ik heb in mijn leven geen donder aan actieve sport gedaan.’
Met een nieuw hart gaat het gebeuren. In 2006 de Europese variant in Napels. ‘Ik denk aan zwemmen, tafeltennis en badminton. Wat denk je van een Ier van 67. Die heeft met een nieuw hart al een gouden zwemplak op zak. Moet deze jonge vent van 47 ook een medaille kunnen halen....’
Bron: De Stentor / Bijlage Gezond & Wel 7 december 2004
Door: Piet Arends. Foto: Sascha Wunderink
NB. In de 'knipselkranten' van diverse jaren kunt u lezen hoe het met mij verder gaat!


